Het begin 40 jaar geleden
Er zijn een aantal redenen in de neurowetenschap om onderzoek op menselijk hersenweefsel te doen. In de eerste plaats zijn er situaties die niet te bestuderen zijn in dieren, zoals de moleculaire achtergrond van genderidentiteit – dat is het gevoel man of vrouw te zijn- of de moleculaire veranderingen bij zelfdoding. In de tweede plaats is het noodzakelijk om bevindingen in proefdiermodellen voor hersenziekten te valideren in de hersenen van de mens. Dierexperimentele modellen voorspellen immers vaak niet wat er in de hersenen van de mens gebeurt.
Zo kwam in de jaren zeventig bleek uit dierexperimenteel onderzoek naar voren dat vasopressine een ‘geheugen hormoon’ zou zijn en oxytocine een ‘vergeethormoon’. We hadden net technieken ontwikkeld om deze stoffen specifiek in de hersenen ook van de mens aan te tonen. Bovendien werd in die dagen duidelijk dat de ziekte van Alzheimer de epidemie van de toekomst zou worden. Het lag dus voor de hand om naar de veranderingen in vasopressine en oxytocine te kijken in de hersenen van Alzheimerpatiënten. Maar hoe kom je daaraan? Het kostte mij eind jaren zeventig vier jaar om vijf klinisch goed gedocumenteerde hersenen van alzheimerpatiënten voor onderzoek te verkrijgen, terwijl er reeds 100.000 patiënten met deze hersenziekte in Nederland waren. Dat kwam doordat zij niet in een academisch ziekenhuis overleden, maar thuis of in een verpleeghuis waar geen onderzoekstraditie bestond.
Om serieus onderzoek aan de menselijke hersenen te doen was het dus nodig een complete infrastructuur op te zetten. Dit omvatte grote aantallen donoren die toestemming gaven voor een hersenobductie, en voor het gebruik van het weefsel en de klinische gegevens voor onderzoek. Er moest tevens een obductie ruimte beschikbaar zijn en mensen die de hersenstructuren konden uitsnijden en neuropathologen om de diagnose op het hersenmateriaal te kunnen stellen. Tevens moest er een administratieve staff komen om de donoren te woord te staan en te administreren, en om het uitgeven van weefsel aan onderzoekers te verzorgen. Ik had voor mijn onderzoek immers maar 3% van het brein nodig.
De rest kon ter beschikking worden gesteld van andere onderzoekers. Deze infrastructuur noemden we de Nederlandse Hersenbank. Uiteindelijk bleek uit het eerste onderzoeksproject dat de vasopressine en oxytocine cellen zeer actief waren en zich volledig staande hielden te midden van de Alzheimer veranderingen. Teleurstellend? Nee, want het was ook het begin van het idee dat zeer actieve cellen tegen het ziekteproces bestand waren, wat ik parafraseerde als ‘use it or lose it’.
Samenwerking met de VU
Prof. Frans Stam, was toen de enige in Nederland die belangstelling had voor de hersenen van Alzheimerpatiënten. Hij was neuroloog, psychiater en neuropatholoog. Ik kende hem vanaf de eerste lezing die ik over deze ziekte gaf. Ik vertelde toen dat alle hersenveranderingen die bij Alzheimer beschreven waren ook aanwezig waren bij ‘normale veroudering’ maar minder uitgesproken en op hogere leeftijd, en stelde voor dat Alzheimer een versnelde, vervroegde veroudering van de hersenen was. Hij kwam na afloop nogal geagiteerd naar mij toe en zei:
“Ik heb mijn hele leven mensen ervan proberen te overtuigen dat Alzheimer een hersenziekte is en nu vertel jij dat het alleen maar veroudering is!”
Ik antwoordde:
“Als het een vervroegde, versnelde en dus abnormale veroudering is, dan is het toch een verouderingsziekte?”
een beetje aan het mopperen. Ik vertelde hem op een gegeven moment over mijn plan een hersenbank te beginnen. Hierop mopperde hij dat het allemaal onzin was en overbodig, maar als ik dat nu eenmaal wilde, ik zijn obductieruimte in de Vrije Universiteit (VU) wel mocht gebruiken. En zo komt het dat de Hersenbank nog steeds de obducties in de VU doet.
De obducties
De tijd tussen overlijden en het verkrijgen van het hersenweefsel moet zo kort mogelijk zijn, omdat de chemie dan het beste overeenkomt met de situatie tijdens het leven. Dus we hadden vanaf het begin een 24/7 dienstrooster. Mijn promovendi die op menselijk hersenweefsel werkten hielpen mee in het obductie team. Ook Eric Fliers, Bart Fisser, Unga Unmehopa en Rivka Ravid waren vroeg bij de Hersenbank betrokken.
Ik deed de obducties ’s nachts zelf bij toerbeurt met de neuropatholoog Wouter Kamphorst. Deze wilde zelf zijn hersenen niet ter beschikking stellen van de Hersenbank, omdat hij niet wilde dat ik zou zien hoe klein zijn brein was en hoe groot zijn hersenventrikels waren. Wouter Kamphorst was onmisbaar voor het opzetten van de Nederlandse Hersenbank. Een neuropathologe in opleiding, Annemieke Rozemuller, die later hoogleraar zou worden en uiteindelijk alle neuropathologische diagnoses voor de Nederlandse Hersenbank zou doen, deed vervolgens ook mee. Die nachtdiensten vielen overigens niet mee omdat ik de volgende ochtend ook weer aan de slag moest als directeur van het Herseninstituut en onderzoeksleider.
Pioniersperiode
Er moesten veel problemen overwonnen worden. Donoren verkregen we door interviews in kranten en op de televisie, lezingen in verpleeghuizen voor families van Alzheimerpatiënten etc. Hoewel de Hersenbank werd opgezet voor de studie van Alzheimer, was het vanaf het begin onze wens de taken uit te breiden naar een groot aantal neurologische en psychiatrische ziekten.
Eveneens werd het hersenweefsel vanaf het begin aan een toenemend andere nationale en internationale onderzoeksgroepen ter beschikking gesteld. Nog steeds heeft de Nederlandse Hersenbank als een van de weinige hersenbanken in de wereld ‘open access’ hoog in het vaandel staan.
Aan controlemateriaal was aanvankelijk ook niet te komen, want niemand zag een reden om een hersenobductie te doen bij patiënten die geen hersenziekte hadden. Bij onderzoek naar hersenziekten moet echter ieder stukje hersenweefsel van iemand met een hersenziekte vergeleken worden met precies hetzelfde stukje van iemand zonder een hersenziekte, maar van dezelfde leeftijd, geslacht, tijd na overlijden, uur van de dag, seizoen van overlijden, enzovoort, omdat al deze factoren moleculaire veranderingen in de hersenen teweegbrengen. En dan zijn er nog genetische factoren, de gebruikte medicijnen en de manier van overlijden die een belangrijke invloed hebben. Dit alles maakt dat je eigenlijk vijfmaal meer controles dan samples van patiënten met een hersenziekte moet hebben om de juiste match te krijgen. Een extra reden voor het belang van oude ‘gezonde’ controle donoren is dat we in de hersenen van deze mensen de allereerste veranderingen van ziekten als Alzheimer en Parkinson kunnen bestuderen, die je alleen onder de microscoop ziet, maar die nog geen symptomen hebben gegeven. Als we maar oud genoeg worden hebben we allemaal zo’n begin van een hersenziekte.
Zoals hierboven gezegd, moet voor goed onderzoek de tijd tussen overlijden en het verkrijgen van het hersenweefsel zo kort mogelijk zijn. Dat is uitsluitend mogelijk doordat donoren en hun familie alle papieren van tevoren in orde maken en precies weten wat er na het overlijden gaat gebeuren. Ook de begrafenisondernemer weet hoe belangrijk spoed is. Ik werd een paar maal ‘s nachts opgebeld door de politie, die niet begreep dat de begrafenisondernemer, die met hoge snelheid reed, vertelde dat hij de overledene met spoed naar het ziekenhuis moest brengen. Maar later heeft een motoragent zelfs eens een begrafenisondernemer, die vastzat in het spitsuur, geëscorteerd over de vluchtstrook.
Donoren
Van de momenteel meer dan 5300 geregistreerde donoren zijn sommigen persoonlijk zeer betrokken. Eens werd ik opgebeld door een donor met MS, die riep: ‘Ik wil de vijand zien.’ We hebben toen in het instituut een microscoop op het tafeltje van zijn rolstoel gezet en Inge Huitinga heeft met hem hersencoupes van MS-patiënten bekeken. Sommige donoren met een hersenziekte waren uitstekende ambassadeurs voor de Hersenbank. Maar van andere donoren kregen we de meest wonderlijke vragen. Eens informeerde iemand voor een familielid of het mogelijk was het donorschap voor de NHB te combineren met het doneren van organen voor transplantatie en het beschikbaar stellen van het lichaam voor de wetenschap. Op de vraag om welk familielid het ging antwoordde hij: ‘Mijn schoonmoeder.’ Blijkbaar wilde hij er zeker van zijn dat er niets van haar terugkwam! Ook juridische problemen bleven ons niet bespaard. In 1990 namen we het initiatief ook MS-donoren te gaan werven. We werden toen aangeklaagd door de echtgenoot van een MS-patiënte, want hij dacht dat MS geen hersenziekte was maar een spierziekte. ‘Mijn vrouw is toch niet gek?’ was zijn argument. De rechter ging gelukkig niet mee in zijn misvattingen. Een andere donor die vroeg of we wilden wachten met de obductie tot haar aura was verdwenen konden we geruststellen: we hebben nog nooit een obductie verricht bij iemand waarvan het aura nog zichtbaar was, vertelde ik haar. Voor mij persoonlijk is het trouwens een hele troost, dat wat voor domme dingen ik nu ook zeg of doe, mijn brein later goed zal worden gebruikt door de Nederlandse Hersenbank.
De Nederlandse Hersenbank nu
Prof. Inge Huitinga, mijn opvolger als directeur van de Hersenbank, heeft van de Nederlandse Hersenbank een zeer professionele organisatie van gemaakt met 32 medewerkers. De Hersenbank is nu een financieel gezonde, internationaal erkende instelling, een voorloper in de wereld wat betreft open access, klinische documentatie en ethische aspecten. De neuropathologie is onder Prof. Annemieke Rozemuller beter dan waar ook ter wereld geworden. Hiermee is de Nederlandse Hersenbank zich ontwikkeld uitgegroeid tot het internationale voorbeeld en staat de Hersenbank in alle opzichten model voor het netwerk van hersenbanken dat we in China aan het opzetten zijn. De staf van de Chinese Hersenbanken is opgeleid door de staf en de neuropathologen van de Nederlandse Hersenbank en volgt alle procedures van onze Hersenbank. In de veertig jaar van haar bestaan heeft de NHB steeds meer dan 5300 donoren in de kaartenbak, heeft meer dan 5000 snelle obducties verricht, en meer dan een half miljoen stukjes klinisch en neuropathologisch goed gedocumenteerd hersenweefsel ter beschikking gesteld aan meer dan 1800 onderzoeksprojecten in 25 landen. Toen het bekend werd dat hersenweefsel van de Hersenbank de hele wereld over ging werden we opgebeld door een donor. Zij had heftige vliegangst, en wilde niet dat haar hersenen later in stukjes naar andere delen van de hele wereld werden gevlogen: ze trok zich dus terug als donor. Er zijn uit het Hersenbank materiaal meer dan 3200 wetenschappelijke publicaties in internationale tijdschriften voortgekomen. Verder heeft Inge Huitinga met de NHB een aantal zeer grote onderzoeksubsidies weten te verkrijgen om moleculaire veranderingen in psychiatrische ziektebeelden te onderzoeken.
De NHB is een sterke, jongvolwassen veertigjarige geworden.
Deze column is geschreven door Prof. Dick Swaab ter ere van het 40 jarig bestaan van de Nederlandse Hersenbank.

